Listen live to Radio Arrow Classic Rock

Arrow Rock Festival

De Schans - Lichtenvoorde 6 december 2004

Het is nu officieel bevestigd: Uw verslaggever is definitief een gediplomeerde ouwe lul geworden. Waar er deze zomer elk weekend wel ergens in West-Europa het stof opwaait (of de meer gebruikelijke regen neerdaalt) op de bij elkaar gemobiliseerde kluwen langharige liefhebbers van de extreme geluidsgolven, daar was/is ondergetekende door werkzaamheden slechts in staat om maar één festival dit jaar aan te doen. Nu de meeste metal festivals qua line up steeds vaker nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn en de organisatie van Arrow (voorheen Classic) Rock Festival een aantal bands bij elkaar had weten te lijmen die ik nog nooit had gezien, was de keuze eigenlijk snel gemaakt. Arrow Rock Festival (ARF) had met deze tweede editie een line-up die liefhebbers van tijdloze rock de vingers deed aflikken. Artiesten waarvan je niet had verwacht dat ze überhaupt nog in leven waren, stonden nu op het podium hun soms wel dertig tot veertig jaar oude evergreens in een live jasje te stoppen. In twee dagen tijd stond er maar liefst meer dan 700 jaar (!) aan podiumervaring op de planken (gemiddelde oprichtingsjaar is zo'n dertig jaar geleden), wat uiteindelijk een dikke twintigduizend man heeft weten te porren om al dan niet voor één dag (of met tent en haringen voor de volle mep) richting het Oosten van Nederland af te reizen. Voor de stoffige rockers onder ons waren er bands als Ten Years After, Iron Butterfly, Blue Öyster Cult en Eric Burdon & The Animals. Maar ook de ervaren metalheads en hardrockers kwamen behoorlijk aan hun trekken met Alice Cooper, UFO, Queensryche, Symphony X en natuurlijk Judas Priest. Dus laten we maar vlug gaan kijken, voor je het weet heeft er een bandlid door ouderdomskwalen of rock&roll-overload het loodje gelegd…

Door: Evil Dr. Smith

Fotograaf: Karen Ter Balkt

Helaas was ik niet in staat om vrijdagavond al op het terrein bij Lichtenvoorde aanwezig te zijn. Oorspronkelijk zouden o.a. Herbert Grönemeyer en David Bowie optreden, maar uiteindelijk ging dat hele feest niet door (en werd Bowie's concert verplaatst naar de Amsterdam Arena). Desondanks kregen de weekendgangers de vrijdagavond al een aantal aardig(er)e opwarmertjes voor de kiezen met o.a. de stonende seventies hardrock van THE QUILL en ouwe (gitaar)rot RONNIE MONTROSE.

Zaterdagmiddag om één uur gingen de poorten open. Niet alleen de festivalpoorten, maar ook de hemelpoorten. Werkelijk op precies hetzelfde moment stroomden het terrein vol met zowel de festivalgangers als de wolkbreukbakken met water die in no time het veld tot een glibberige blubberpartij transformeerde. Onweer en zelfs hagel (hallo daarboven, het is juni hoor) deden er vervolgens nog een schepje bovenop. Daar sta je dan in een naïef T-shirtje, zonder jas, poncho of plu. Gelukkig was de eerste band van de zaterdag, PLAETO, in de tent. Vooraf niet wetende dat dit de doorstart was van City To City (van dat zeikdeuntje 'The Road Ahead'), klonk de rokerige kroegrock voor eventjes wel aardig. In ieder geval een stuk beter te behappen dan de vorige creatie van zanger Sandro van Breemen. Hij deed me qua stemgeluid soms wat denken aan Rush, terwijl het repertoire zelf toch van een steviger rock(&roll)geluid is voorzien. Voor hen wel de mazzel dat het regende, want de tent was behoorlijk volgestroomd. Toch konden ze een flink deel van het publiek niet in de tent houden toen de regen weer (eventjes) ophield.

Of de leegloop kwam doordat Plaeto's optreden deels overlapte met de eerste band op het hoofdpodium: TEN YEARS AFTER (1967). Tsja, zo sta je legendarisch te wezen op Woodstock, zo sta je 35 jaar later als openingsbandje op een boerenveldje in de Achterhoek. Is dat nou høken? Het optreden was in ieder geval bijzonder smakelijk, ondanks dat de spil van de band, gitarist Alvin Lee, in geen velden of wegen is te bekennen. Gelukkig wordt hij goed vervangen door Joe Gooch. Vergeleken met de overige bandleden een snotaperig broekie, maar wel een broekventje dat de juiste bluessnaar weet te vinden. Jammer dat het geluid een beetje zachtjes stond afgesteld (bang dat anders bij de overwegend “oudere jongeren” van schrik hun gehoorapparaatjes ontploffen?), maar ze wisten op dit vroege tijdstip al een heerlijk sfeertje neer te zetten. Mede ook dankzij de glunderende bassist Leo Lyons die als een enthousiaste “rookie” zichzelf stond te bewijzen. Aardig was ook de Cream/Deep Purple-intermezzo in het nummer 'I Can't Keep From Crying Sometimes' en natuurlijk zaten we allemaal te wachten op de onvermijdelijke kraker 'I'm Going Home' die weer flink werd aangedikt met spetterende gitaarsolo's en een rock&roll-medley. Jammer alleen dat er vlak naast me weer een of andere Mien Dobbelsteen geruime tijd door de nummers heen stond te kakelen. Staat zo'n doo…dame helemaal vooraan: weet ze haar verontrustend korte aandachtsspanne nog niet vast te houden… Ga afwassen, tante Bep.
SETLIST: Good Morning Little School Girl / (?) / Working On The Road / (?) / King Of The Blues / Drumsolo / Love Like A Man / Time To Kill / I Can't Keep From Crying Sometimes / I'm Going Home

In de tussentijd waren THE GODZ (1976) bezig in de tent, en hoezeer ik ook hun versie van Golden Earring's 'Candy's Going Bad' wilde zien (Barry Hay schijnt behoorlijk jaloers te zijn op hun versie), ik wilde m'n plekkie vooraan niet kwijt op het moment dat Y&T (1973) als tweede band het hoofdpodium betrad. De enige band die ook vorig jaar op het festival stond geprogrammeerd en deze keer (terecht) gepromoveerd was tot hoofdpodium-act. De laatste paar maanden hebben wij van Lords Of Metal geruime aandacht gegeven aan de band (elders in dit issue vind je ook een interview met Dave Meniketti), en gezien hun live-performance is dat niet meer dan terecht. Zodra de band inzette met 'Open Fire', schakelden de weergoden ook weer een tandje bij en teisterde de regen weer de kleumende lijven. Maar terwijl ik stond te vernikkelen in een drijfnat T-shirtje, werd ik gelijktijdig behoorlijk opgewarmd door dampende versies van 'Hurricane', 'Meanstreak' en zowaar het antieke '25 Hours A Day'! De band had er zin in; bassist Phil was in duel met de cameraman, na elke geslaagde gitaarsolo balde Dave als een Marc Overmars even kort z'n vuistje en werd er een paar ontblootte borsten getoond voor Phil's stoere poses (een smakelijk cupje C). Tijdens de show liet de zon zich zelfs eventjes zien. Wellicht kwam dat door het (overigens spuuglelijke) regenboogshirt die drummer Leonard Haze aan had? De band speelde tot mijn teleurstelling ook het zeikerige 'Lipstick And Leather' en de onvermijdelijke tra-la-la hit 'Summertime Girls' (yech..), maar ik had geen enkele reden tot klagen meer toen ze vervolgens de set afwerkten met hun drie rockballad-monsters 'I Believe In You', 'Rescue Me' en 'Forever'. Sterk optreden en m'n shirt was op het laatst meer nat van het zweet dan van de regen.
SETLIST: Open Fire / Lipstick And Leather / Dirty Girl / Meanstreak / I'll Cry / 25 Hours A Day / Hurricane / Summertime Girls / Black Tiger / I Believe In You / Rescue Me / Forever /

Vervolgens was ERIC BURDON & THE ANIMALS (1964) zojuist begonnen in de tent. Deze levende legende had onlangs een spetterende show gegeven te hebben in de Boerderij te Zoetermeer en ook in Lichtenvoorde zat er op zijn imposant rauwe stem nog nauwelijks sleet. Weliswaar stond (en soms 'zat') hij daar met een zonnebril (wat een flauwekul) en was hij soms een tikje kortademig, de behoorlijke energieke (en jonge) band in combinatie met de geweldige strot van Eric maakte het een heerlijk feestje van ouwe rhythm and blues-classics. Daarbij was het alleraardigst en inventief hoe ze met dat toch wel uitgekauwde arbeidsvitaminenrepertoire omgingen: niet klakkeloos naspelen, maar aardige arrangementen, soms met behulp van een viool. Zo bezat 'Don't Let Me Be Misunderstood' rockende reggae-klanken, was 'When I Was Young' nog Arabischer van opzet en speelden ze ook nog een stukje Bob Marley's 'Get Up Stand Up' in een eigen nummer. Sterke optreden dat zelfs een groovende drumsolo bevatte dat onderhoudend te noemen was. Het was sowieso het weekend van de solo's, want de drum-, bas- en gitaarsolo's vlogen je dit weekend om de oren. Tevens was het publiek zodanig van samenstelling dat ik me voor het eerst sinds jaren weer eens een “broekie” voel in het publiek. En bij de show van Eric Burdon was het “grijs” helemaal niet van de lucht. Niet alleen ván de lucht, maar ook ín de lucht trouwens, want toen op een gegeven moment een of andere dronkelap steeds tegen me aankukelde (die delirium heeft hij snel voor elkaar gekregen, zo aan het begin van het weekend), koos ik er maar voor om naar BAD COMPANY'S PAUL RODGERS te gaan kijken. Alleen bleek het weer weer gigantisch te zeiken, dus toch maar rechtsomkeert gemaakt en nog een behoorlijk vette, geüpdate versie mogen vernemen van 'House Of The Rising Sun'.
SETLIST: (Openingstrack) / Don't Let Me Be Misunderstood / When I Was Young / Girls On The Loose (?) / We Gotta Get Out Of This Place / Over The Border / Someone To Love Me / Not Fade Away / (?) / It's My Life / House Of The Rising Sun / (?)

Vervolgens binnen in de tent gebleven om zodoende UFO (1969) te kunnen zien. Recentelijk weer een aantal maal in het clubcircuit te vinden, maar dit was mijn eerste keer dat ik ze zag. Dat viel allerminst tegen. Vooral de knotsgekke bassist Pete Way was hilarisch en hij stuiterde gedurende de hele set op, tegen, van en over het podium. Zanger Phil Mogg zag er topfit uit met z'n gebruinde, gespierde lichaam en z'n witblonde, kort geschoren kop, alleen kwam hij vocaal maar met moeite boven het snarengeweld uit van onder meer krullenbol Vinnie Moore. Daar ik met m'n snufferd zowat tégen het drie meter hoge podium aangedrukt stond, kon ik de show niet zo heel erg goed zien, laat staan de drummer die niemand minder dan Jason Bonham (zoonlief) bleek te zijn. Collega Richard V. had evenwel een betere plek uitgekozen: “Om 18:30 begon UFO in de tent. Na drie nummers had de band zijn draai gevonden en ging het spreekwoordelijke dak eraf. De set bestond uit een nieuw nummer en de volledige set van 'Strangers in The Night'. De uitvoeringen waren werkelijk super. De boomlange bassist Pete Way is eigenlijk de frontman. Zanger Phil Mogg staat meer op de achtergrond. De klasse van nummers als "Love to Love", "Rock Bottom" en "This Kid's" stonden garant voor succes, maar dat de band zo goed is verbaasde me. Tot achterin de tent ging het publiek uit zijn dak.”

band image


In de pauze in de tent had de DJ er zich wel heel gemakkelijk van afgemaakt door exact hetzelfde verzamel CD'tje op te zetten als in de pauze voor UFO. Dat werd me wat te saai, dus maar even naar buiten in de blubberpoel staan kijken naar MOTÖRHEAD (1975) die op dat moment met nummers als 'Metropolis', 'Doctor Rock', 'Sacrifice' en de Ramones tribute 'R.A.M.O.N.E.S.' aan het spelen was. Lang heb ik niet staan kijken, Richard iets langer en die had er een duidelijke mening over: “Het deel wat ik gezien heb viel me bitter tegen. Veel nieuwe nummers in plaats van klassiekers (altijd fout op dit type festivals) en geen variatie in tempo. Saai, saai en nog eens saai. Slechts de droogkomische presentatie van Lemmy was lachen. Hoogtepunt waren twee bloedmooie meiden die hun t-shirt op het podium uittrokken en ons vier fraaie tieten toonden. Treurig voor Lemmy, maar Motörhead staat vandaag de dag voor eentonige saaiheid.”

Ik was ondertussen weer naar binnen gekluund voor BLUE ÖYSTER CULT (1969): een van de bands waar ik het meest nieuwsgierig naar was, want wanneer is deze band voor het laatst in Nederland geweest? Zijn ze überhaupt wel 'ns in Nederland geweest? Na een rommelig begin waarbij roadies en bandleden elkaar in de weg staan terwijl de intromuziek al bezig was, kreeg het optreden al snel een meer gestroomlijnd karakter. De New Yorkse band dat begin jaren zeventig grote populariteit genoot als zijnde de “intellectuele zijde van heavy metal” wist mij door hun wat statische performance (lees: oude, corpulente en kalende mannen) niet echt te imponeren. Sowieso is hun muziek niet echt heavy (metal) te noemen; de gekozen nummers vond ik wat flauw klinken. Dit ondanks hun veelal driestemmige samenzang, waarbij mij alleen de nummers met in de hoofdrol de relaxt ogende Buck Dharma wat wisten te bekoren. Het tweede deel van de set kwam er meer vuur met 'Cities On Flame With Rock And Roll' (met Buck die enthousiast op de bekkens mee stond te drummen), 'Godzilla' (helaas gevolgd door een slaapverwekkende bassolo en een iets minder saaie gitaarsolo) en tenslotte natuurlijk, hoe kan het ook anders, '(Don't Fear) The Reaper'. Kwam de zaal uiteindelijk toch nog een beetje los en zat de sfeer erin. Wel wat aan de late kant en de show viel mij dan ook een tikkie tegen.

Door de strakke programmering en de grote hoeveelheid “legendarische” bands was het continu kiezen geblazen: het hoofdpodium, de tent, of eten? Tijdens de SCORPIONS (1969) heb ik toch een duik in het snackfoodparadijs genomen (Richard constateerde biefstuk, zalm, thai food, indonesische gerechten, pizza, pannekoeken en tig verschillende broodjes, terwijl mijn culinair inlevingsvermogen niet veel verder reikte dan patat-friet (compromis) met frikadel), om me met hernieuwde energie op te laden voor de hoofdact van vanavond. Richard was wel bij de Scorpions: “Scorpions verbaasde vooral door de kwaliteit van het geluid. De mix was super en het gitaargeluid van Matias Jabs was verbluffend. Ik heb veel concerten in de buitenlucht gezien, maar Jabs' gitaargeluid was het scherpste dat ik ooit hoorde. Als een scheermes door boter. De nieuwe nummers zijn eigenlijk te hard voor deze Duitsers op leeftijd, maar staan wel als een huis. De klassiekers gaan erin als koek.”
SETLIST: New Generation / Love Em Or Leave Em / Bad Boys Running Wild / The Zoo / Lovedrive / Deep And Dark / Coast to Coast / Tease Me Please Me / Hit Between The Eyes / Blackout / (Drum solo) / Blood Too Hot / (Guitar solo) / Big City Nights

Ik stond op dat moment te wachten bij de letterlijk uitpuilende tent voor ALICE COOPER (1967) die bijna een half uur te laat begon aan de set, terwijl tot op dat moment de programmering met een beangstigende Zwitserse precisie was afgewerkt. Gelukkig was het (voor de verandering) droog en toen Alice met z'n wandelstokje het podium kwam oplopen was hij bijna niet te horen door het laatste stukje Scorpions dat met hun kristalheldere, maar snoeiharde geluid Alice overstemde. Het geluid was wel erg zuiver afgesteld en ook de lichtshow zag er uitstekend uit en bovendien maakte Alice's zijn band een gedreven indruk. Ik ben niet erg bekend met zijn werk, maar getuige de herkenning van veel nummers die werden gespeeld moest het (logischerwijs) een aaneenschakeling van 'greatest hits' zijn geweest. Richard wist er wat meer over te vertellen: “De man die tijdens de Dragontown toer in Amsterdam een zeer goede indruk maakte, heeft zijn keyboardspeler en show thuisgelaten en speelt een bijna volledig andere set. Het publiek reageert dan ook alleen enthousiast bij de klassiekers. De lange instrumentale tussenstukken doen vermoeden dat de klok voor Alice aardig begint door te tikken. Dicht bij de zestig is het eind van zijn imposante carrière in zicht.”
SETLIST: Black JuJu (Tape) / Hello Hooray / No More Mr. Nice Guy / Man Of The Year / Billion Dollar Babies / Between High School & Old School / Muscle Of Love / Be My Lover / Who Do You Think We Are / What Do You Want From Me? / I'm Eighteen / Desperado / Halo Of Flies / Sick Things / Gutter Cats Vs The Jets / Backyard Brawl / Cold Ethyl / Only Women Bleed / Ballad Of Dwight Fry / School's Out / Brutal Planet / Wicked Young Man / Poison / Under My Wheels

band image


Het tweede deel van Alice heb ik niet afgewacht (helaas 'Halo Of Flies' gemist!), omdat op dat moment op het hoofdpodium de hoofdact van de zaterdagavond zou beginnen. Voor het eerst sinds de 'Painkiller' tour (veertien jaar geleden) stond de oude bezetting van JUDAS PRIEST (1970) weer op Nederlandse bodem. Ook zij begonnen ruim te laat (de Scorpions liepen nogal uit), maar het was wel aardig om te zien hoe een stuk of twintig roadies als mieren in de weer waren om de gigantische stellingen en loopplanken te construeren. Amusant was ook het gejoel toen het kleine Scorpions logo als backdropping werd vervangen door het veel grotere “Electric Eye”-logo. Maar het gejoel en geschreeuw begon natuurlijk pas echt toen de band zelf inzette met 'Electric Eye'. Een werkelijk loepzuiver geluid (zij het misschien een tikje te zachtjes) en een heldere, strakke lichtshow hielp Priest aan een indrukwekkende “wederopstanding”. Zelf heb ik Priest nimmer gezien met stand-in Ripper Owens (nu natuurlijk de Iced Earth-frontman), maar ik heb me kostelijk vermaakt met de performance van Rob Halford's terugkeer. Hij was prima bij stem (heel wat anders dan een paar jaar terug in de 013 met z'n eigen band, of wat ik heb begrepen een week later op Graspop) en met zijn statische, bijna robotachtige motoriek en zijn merkwaardige tierelantijntjesoutfit deed hij mij denken aan Nosferatu in een carnavalesk maliënkolder. Zelfvoldaan en met trage gebaren stond Rob continu de coole kikker uit te hangen. Maar als je een beetje vooraan in het publiek stond kon je ook duidelijk de pretlichtjes in z'n ogen zien. Hij had dan ook geen enkele moeite om het publiek voor zich te winnen.

Qua statische podiumact werd Rob nog overtroffen door Ian Hill die niet van z'n plek te slaan was, maar wel continu driftig aan het headbangen was: dus ook goedgekeurd. Net als Glenn Tipton die mij verraste door zijn fitte, bijna jeugdige uitstraling. De set was, trouw aan het publiek van een 'classic rock' festival, louter opgebouwd rondom geweldige Priest-klassiekers. 'Metal Gods', 'The Ripper', 'The Sentinel', het onsterfelijk prachtige 'Victim Of Changes', zelfs het gelikte 'Turbo Lover' klonk gaaf. Verrassend was wel de wonderschone uitvoering van 'Diamonds And Rust', dat volledig akoestisch werd gespeeld en zodoende dichter dan ooit bij het origineel van Joan Baez kwam te liggen. Even later gooide Priest ook nog een tweede cover er tegenaan met Fleetwood Mac's 'The Green Manalishi'. De ene na de andere klassieker kwam voorbij en ik verbaasde mezelf dat ik als een doldrieste puber stond mee te springen en te brullen tot ik m'n stem kwijt was. Vanzelfsprekend kwam Rob aan het einde van de set tijdens 'Hell Bent For Leather' weer met een Harley Davidson het podium… opgeprutteld. Jammer genoeg besloten ze de avond (of het was eigenlijk al diep in de nacht) met een drietal commerciëlere meezingers ('Living After Midnight', 'United' en 'You've Got Another Thing Comin''), maar tegen die tijd was er een ding meer dan duidelijk en dat werd dan ook met venijnige pret door Rob geroepen: The Priest IS Back!
SETLIST: (The Hellion: tape) / Electric Eye / Head Out To The Highway / The Ripper / Touch Of Evil /
The Sentinel / Turbo Lover / Victim Of Changes / Diamonds And Rust / Breaking The Law / Beyond The Realms Of Death / The Green Manalishi (With The Two Pronged Crown) / Painkiller / (Harley Davidson) / Hell Bent For Leather / Living After Midnight / United / You've Got Another Thing Comin'

Nadat de zaterdag spetterend was afgesloten (qua muziek, gelukkig niet qua regen) en iedereen met koortsachtige snelheid door de organisatie het veld werd afgejaagd, begon zondag in alle vroegte de tweede dag. Voor een enkeling wel erg vroeg, daar een klein groepje mensen dat op het festivalterrein in de open lucht overnachtte (waaronder Uw verslaggever) in alle onchristelijke vroegte werd wakker getetterd door de vele trekkers en “zuigwagens” (ik verzin deze naam niet) die het veld kwamen schoonmaken. Van slapen kwam nauwelijks iets terecht (inherent aan het begrip “festival”), maar het schoonmaakwerk maakte het terrein in een paar uur tijd wel weer bijna als nieuw. Ook de blubberpoelen waren (veelal ook al op zaterdag) met stro en houtpulp bedekt, zodat de zondag (bedenkelijk grijs, maar de hele dag droog: hoezee!) weer fris kon beginnen. Startend met SYMPHONY X (1994). Op het lokale talentenjachtbandje Plaeto na, een vreemd idee dat deze band met zes studioalbums eigenlijk de groentjes van het weekend waren. Niet dat de band daar last van had, want de bandleden trokken onmiddellijk stevig van leer. Vooral zanger Russ Allen was erg beweeglijk en vocaal behoorlijk op dreef. Jammer dat de tent als een ontiegelijke galmbak fungeerde, waardoor het gitaargekriebel van de op zich uitstekend in vorm lijkende Michael Romeo helemaal verzoop. Goh, wat ging die jongen weer te keer. Zou het zo zijn dat hij nu extra zijn best deed om te willen imponeren tegenover de mannen van G3 die later deze dag zouden spelen? Naarmate de set vorderde werd het geluid beter en ging het publiek steeds meer uit hun dak tijdens nummers als 'Evolution “(The Grand Design)' en 'Smoke And Mirrors'. Sterk optreden.

band image


Toch heb ik Symphony's X laatste akkoorden niet afgewacht, want op het hoofdpodium was ondertussen de dinosaurusprog van het Britse CARAVAN (1968) begonnen. Ook al zo'n band waarvan je niet zou verwachten dat ze de laatste twintig jaar iets gedaan zouden hebben. Bij de merchandise stands bleek echter, gezien de tour-shirts van Caravan, dat ze de smaak van het podium weer helemaal te pakken hebben. De diverse bandshirts waren wel weer belachelijk duur (gemiddeld 30 tot 35 euro voor een T-shirt), dus die sponsoring konden ze van mijn kant mooi vergeten. Bij Caravan was het nog wel rustig qua publiek. Erg rustig. Dat viel wel mooi samen met hun muziek, dat een behoorlijk beroep deed op mijn acclimatiseringvermogen, onmiddellijk na de “hardste” band van het weekend: Symphony X. Een oudere, grijze man die waarschijnlijk net als ik rechtstreeks vanuit de tent met Symphony X was komen lopen verwoordde het rolbevestigend:” Kijk, dit is pas muziek!” De jazzy progrock-folk suste mij in het begin eerder in slaap. Maar ondanks dat de zeskoppige formatie met hun frivole en relaxte 'zondagochtendmuziek' wat timide overkwam (met uitzondering van de charismatische fluitist/violist Geoff Richardson die de boel aardig opleukte), wisten ze me uiteindelijk wel in te pakken met hun sfeervolle, verfijnde muziek. Het had alleen even tijd nodig, maar met een vermakelijke snarenduel tussen Geoff en de jonge gitarist (het enige niet-originele bandlid) en het slotnummer, de twintig minuten durende 'Nine Feet Underground' (van hun magnum opus 'In The Land Of Grey And Pink'), wisten ze ook mij positief te stemmen. Die laatste riff in dat nummer leek trouwens wel wat op het nummer 'In-A-Gadda-Da-Vida'. Is dat even een mooi bruggetje…

Want na Caravan stond IRON BUTTERFLY (1966) op het podium. Deze band staat natuurlijk vooral bekend als eendagsvlieg vanwege het bovenstaande nummer (zelfs Slayer-fans kennen deze band), maar eind jaren zestig, begin jaren zeventig maakten ze meer aardige platen. En was het toevallig dat juist tijdens het nummer 'Easy Rider (Let The Wind Pay The Way)' van Iron Butterfly de zon (eindelijk) goed doorbrak? De band was een opvallende verschijning. Niet alleen vanwege de zanger-bassist Lee Dorman die sprekend leek op mijn (vijftien jaar geleden) overleden opa, maar vooral ook vanwege de flamboyante verschijning van organist Doug Ingle. Gehuld in een lang paars gewaad, een ZZ-Top verantwoorde dikke, grijze baard en een dikke bos met (borst/hoofd)haar stond hij daar als een kruising tussen Jerry Garcia en Arie Ribbens de lachers op zijn hand te werken met zijn letterlijk eh… tongstrelende toetspartijen op orgel en draagbare synthesizer. Die tong van Gene Simmons kan wel inpakken. Dikke Doug eiste alle aandacht op - of je z'n stageact nu grappig vond of irritant – en zijn stem deed dat ook. Helaas niet in positieve zin. De band heeft drie zangers, maar Doug was veruit de krakkemikkigste. De band speelde slechts vijf nummers, maar dat kwam dan ook omdat de laatste twee nummers (waaronder het mooie 'Butterfly Bleu') in totaal een kleine veertig minuten in beslag nam. Het publiek kon de muziek redelijk waarderen – hoewel het niet vreselijk druk was vooraan: er was zoveel ruimte dat rolstoelers en zelfs blinden (!) de weg naar voren hadden weten te vinden – maar uiteindelijk was er natuurlijk maar één nummer waar we op zaten te wachten. Die werd dan ook aan het slot gespeeld: niet de lafjes ingekort zoals Slayer deed, maar de volle 17 minuten durende versie, inclusief drumsolo en alles. Jammer alleen dat de vocalen door Doug gedaan werden. Hierop aansluitend zou het leuk zijn om volgend jaar op ARF die vergelijkbare classic, 'Get Ready', van Rare Earth te kunnen horen. 't Is maar een ideetje…

Van Iron Butterfly is het een kleine stap naar 'Dog & Butterfly'. Kortom: HEART (1973) was aan de beurt. Eindelijk waren er dan ook vrouwen op het podium. En wat voor een vrouwen! Ann Wilson zag er dan wel uit als Roseanne Barr - en vanwege de zon had ze helaas ook haar zonnebril continu op - maar wat een stem! En gitariste, backing-vocaliste en haar zus Nancy leek wel de uiterlijke tegenpool met haar blonde, deels in kleurtjes geverfde haren, haar beweeglijke, strakke lichaam (en dat terwijl ze onlangs Sarah heeft gezien!) en een decolleté waar Katja Schuurman jaloers op zou zijn: sexy rockin' mama! Voor het eerst sinds de 'Bad Animals' tour (ca. 1990) was Heart weer met een (eenmalig) optreden op de Hollandse klei te vinden en het was voor mij samen met Y&T en Priest het hoogtepunt van het weekend. Ook al liet Ann hier en daar een klein steekje vallen, haar immer kristalheldere en verbazingwekkend jong klinkende stem is zalving voor de oren. Naast de verwachte collectie van hits hadden ze gelukkig ook nog tijd om een paar nummers van hun verrassend sterke nieuwe CD 'Jupiters Darling' te spelen. Maar het waren toch vooral nummers als 'Crazy On You', 'These Dreams' (gezongen door Nancy), 'Magic Man' en de met vette hardrock-riff doorspekte 'Barracuda' dat de meeste waardering opeiste. Hoogtepunt was de uitgeklede versie van 'Alone' (met alleen akoestisch gitaar en sober keyboardbegeleiding) waarbij de tranen over m'n wangetjes biggelden.
Oja, er was ook nog een begeleidingsband. Bijna vergeten te melden…
SETLIST: Kick It Out / Crazy On You / Oldest Story In The World / The Perfect Goodbye / Dog And Butterfly / These Dreams / Alone / Even It Up / Vainglourious / Wild Child / Magic Man / Barracuda /
Rock And Roll (Led Zeppelin cover)

band image


Na Heart was het etenstijd en wilde ik weer eens wat meer zien dan alleen het hoofdpodium. Ondertussen hadden SAGA (1977) en FISH al aan hun verplichtingen voldaan in de tent en was daar zojuist het elektronisch gefröbel van ROBERT FRIPP begonnen, die de avondvoorstelling in de tent inluidde van de G3-formatie, met naast Fripp ook JOE SATRIANI en STEVE VAI. Fripp's soundscape-klanken klonken op z'n zachtst gezegd merkwaardig en iets vertelde mij dat we wel konden fluiten naar 'In The Court Of The Crimson King' of andersoortig King Crimson materiaal. Daar er even later op het hoofdpodium werd gestart met een opvallend beukende versie van 'Candy's Going Bad', besloot ik even later toch maar weer voor het hoofdpodium te kiezen. Neerlands rockicoon GOLDEN EARRING (1962) wilde laten horen dat niet alleen The Godz dat nummer stevig kan spelen. Dat statement was duidelijk gelukt. Het was lang geleden dat ik ze heb zien spelen, maar wat ik zag overtrof mijn verwachtingen. Wat ging de band te keer! Met een fanatieke gedrevenheid van een startend bandje lieten ze nummers als 'The Twilight Zone' harder klinken dan ooit tevoren. Vooral Rinus ging tijdens een bassolo (met zijn dubbelnek-basgitaar) helemaal uit z'n plaat en vloog tegen de Marshalls op, trok z'n basgitaar bijna uit elkaar en liep een bak met herrie te produceren dat bij veel metalbands niet zou misstaan: “Jezus Rinus, je bent bijna zestig, man! Take it easy!” Opvallend detail was dat Barry Hay, normaal geboren met een zonnebril, op dit zonnig moment van de dag zonder zonnebril optrad. De band speelde, vanzelfsprekend, een kleine greep uit hun omvangrijke hit-oeuvre, met een enkel uitstapje naar een iets minder voor de hand liggend nummer (het geweldige 'Holy Holy Life' had ik niet verwacht te horen). Natuurlijk was er 'Radar Love', maar deze keer besloot Cesar z'n vaste drumsolo te verplaatsen naar een solo op een soort vastgeklonken gong die achter hem geplaatst was. Boeiend. Net als het optreden zelf dat volkomen terecht Earring's aanwezigheid op ARF rechtvaardigde. Jammer alleen dat ze de toegewezen speeltijd niet volmaakte. Ze hadden nog tijd voor 'n onverkorte 'She Flies On Strange Wings', of zelfs twee 'Buddy Joe's', maar na een welgemeend dankwoord van Barry aan het publiek was de koek toch op.
SETLIST: Candy's Going Bad / Another 45 Miles / (?) / Twilight Zone / Heartbeat / Bass solo / Radar Love (incl. drum/gong-solo) / Back Home / When The Lady Smiles / Holy Holy Life / Long Blonde Animal

band image


Na een staaltje van Hollandse Rock was het tijd voor QUEENSRYCHE (1981). Eindelijk zag ik ook de plukjes hardrockers en metalheads op het terrein zich weer vooraan bij het podium nestelen. Met groot gejuich werd het intro 'I Remember Now' ontvangen. Toen daarna 'Anarchy X' en vervolgens 'Revolution Calling' werden gespeeld, werd het mij duidelijk: de band gaat gewoon weer het volledige 'Operation: Mindcrime' album spelen! Dat is toch een jaar of vijftien geleden voor het laatst gebeurd (in ieder geval op Nederlandse bodem) en daar hun latere albums, m.u.v. het omhoog krabbelende 'Tribe', minder en minder werden, was dit een logische, maar gewaardeerd initiatief. Zeker als het op zo'n geïnspireerde wijze gebeurde als deze avond. De zongebruinde Geoff (gelukkig weer met haar op z'n schedel) was voortreffelijk bij stem, alhoewel ik dat de eerste vier nummers niet kon waarnemen, omdat Geoff werd overstemd door een fanatiekeling die vlak achter mij de complete songteksten woord voor woord luidkeels stond mee te brullen. Op een andere plek hoorde ik inderdaad dat Geoff opvallend sterk op dreef was, evenals de meegecharterde Pamela Moore, die voor de vrouwelijke vocalen en, samen met Geoff, voor het minitheatrale element van het optreden zorgde. Daar het geluid perfect stond afgesteld was het op een gegeven moment wel alsof je de CD stond af te draaien, maar toch gaf bijvoorbeeld het geile, ruige baswerk in 'I Don't Believe In Love', de korte meezingversie van het publiek in 'Breaking The Silence' of de ruige twinsolo aan het slot van 'Eyes Of A Stranger' meerwaarde aan het optreden. Extra applaus kreeg Geoff toen hij een spijkerjackie aantrok met daarop een grote foto van Bush en waarboven in grote letters “LIAR” stond gespeld. Zo krijg je de meeste Nederlanders ook op je hand. Jammer dat ik op een haar na zowel een plectrum als een drumstokje miste, die door twee dames achter mij werden opgevangen (nogmaals sorry dat ik na de mislukte, achterwaartse snoekduik met m'n lompe lijf boven op jullie viel, dames).

band image


Terwijl in de tent nog steeds G3 stond te spelen, was het even later alweer tijd voor het slotakkoord voor ARF 2004. En dat waren de symforeuzen van YES (1968). Ik had ze nimmer gezien en was benieuwd met wat voor soort repertoire ze zouden aankomen. Dat bleek een mengeling van zowel oud als (voor mij onbekend) nieuw werk. De Queensryche-fans waren voor bij het podium alweer vervangen door grote groepen middelbare, grijze mannen met rugzakjes en er kwam nog meer ouderdom het podium opgelopen. Mijn God, wat ziet Steve Howe er oud uit! Ik schrok ervan. Het leek wel een oud professortje. Hij had zich omringd door divers snaarapparaten en aan de andere kant van het podium stond Rick Wakeman temidden van een gigantisch synthesizergevaarte. Daartussenin stond natuurlijk zanger Jon Anderson met z'n hoge, ietwat iel en dunne, maar zeer karakteristieke stem. Hij was ook zijn esoterische kant niet vergeten mee te nemen. Zijn praatjes tussen de liedjes waren door z'n zachte stemgeluid bijna niet te verstaan en wat je wel kon horen stond bol van new age-achtige uitlatingen. Dat werkte ook door in het repertoire dat nou niet echt bestond uit het meest stevige werk van hun oeuvre. De show was sfeervol, de uitvoering smetteloos, het publiek dankbaar, maar voor een rockconcert was het allemaal wel een beetje te introvert om als “knallende finale-act” te fungeren. Mijn hoop op 'Heart Of The Sunrise' bleef dan ook beantwoord, alhoewel het afsluitende 'Starship Trooper' een beetje de rock in de symfo van Yes wist te brengen. Een aangenaam, maar geen knallend slot van een weekend dat qua organisatie, publiek, bands en sfeer geweldig was. Indien ARF voor de volgende editie net zo'n sterke line-up voor elkaar weten te boksen – ondanks de alternatieve vrijdagavond en afzeggingen van Porcupine Tree en White Lion – zal ik zeker weer van de partij zijn. Dan ben ik maar een jonge ouwelul op ARF en geen oude metalhead op Waldrock, Graspop, Wacken, Stonehenge, Bang Your Head, Pukkelpop, etc.: geen probleem!
SETLIST: Going For The One / Sweet Dreams / I've Seen All Good People / Mind Drive / Long Distance Runaround / Owner Of A Lonely Heart / Rhythm Of Love / America / And You And I / Somehow Someday (?) / Roundabout / Starship Trooper

band image

<< vorige volgende >>